Feyenoord stond open voor een vertrek van Anis Hadj Moussa naar Al-Ittihad, maar alleen wanneer de financiële afspraken voldoende zekerheid boden. De Saudische club kwam uiteindelijk met een totaalpakket van bijna veertig miljoen euro, maar de manier waarop dat bedrag betaald zou worden zorgde in Rotterdam voor twijfel. Een bankgarantie werd daarom een harde voorwaarde.
Die voorzichtigheid heeft volgens Voetbal International ook te maken met een eerdere ervaring van Feyenoord in Saudi-Arabië. In de zomer van 2025 leek Dávid Hancko op weg naar Al-Nassr. Voor de verdediger was een bedrag van 33 miljoen euro besproken en vanuit Feyenoord waren de benodigde stappen gezet. Hancko reisde zelfs naar Oostenrijk, waar Al-Nassr op trainingskamp was.
Daar liep het alsnog volledig mis. De verdediger kon niet aansluiten bij zijn nieuwe ploeg en moest apart verblijven, terwijl onduidelijk bleef wanneer de transfer definitief zou worden gemaakt. Uiteindelijk bleek dat Al-Nassr de noodzakelijke documenten zelf niet definitief had ondertekend. Hancko keerde terug naar Feyenoord en vertrok kort daarna naar Atlético Madrid.
Toen Al-Ittihad zich meldde voor Hadj Moussa, wilde Feyenoord daarom vooraf meer zekerheid hebben. Daarbij speelde ook mee dat de financiële situatie rond de grote Saudische clubs inmiddels anders is dan enkele jaren geleden. Na de instap van het Public Investment Fund konden clubs als Al-Ittihad, Al-Nassr, Al-Hilal en Al-Ahli grote bedragen uitgeven aan spelers en salarissen.
Inmiddels ligt meer verantwoordelijkheid bij de clubs zelf. Zij moeten hun transferbeleid binnen afgesproken financiële kaders uitvoeren en kunnen niet zonder meer rekenen op extra geld vanuit PIF. Dat verschil is belangrijk. PIF beschikt over enorme financiële middelen, maar die middelen zijn niet hetzelfde als vrij beschikbaar transfergeld voor Al-Ittihad.
Ook staat PIF niet automatisch garant voor iedere overeenkomst die de club sluit. Feyenoord doet zaken met Al-Ittihad zelf en niet rechtstreeks met het investeringsfonds. Ook bij Al-Ittihad zelf zijn de afgelopen periode signalen geweest dat er scherper op de beschikbare middelen wordt gelet. In de zomer van 2026 zou miljoenen zijn gebruikt om bestaande verplichtingen en schulden af te lossen.
De verkoop van Moussa Diaby aan Bayer Leverkusen gaf Al-Ittihad opnieuw financiële ruimte. Toch wilde de Saudische club de deal met Feyenoord niet afrekenen met een grote eerste betaling. Volgens de informatie van Voetbal International werd gesproken over een eerste termijn van vijf miljoen euro. Dat bedrag vond Feyenoord te laag.
Een veel hogere eerste betaling had de risicoverdeling voor Feyenoord anders gemaakt, maar Al-Ittihad wilde de voorwaarden op dat punt niet voldoende aanpassen. Daarom kwam de bankgarantie centraal te staan. Met zo'n garantie krijgt Feyenoord zekerheid over de betalingen die pas later volgen. Mocht Al-Ittihad een afgesproken termijn niet voldoen, dan staat onder de voorwaarden van de garantie een bank achter die verplichting.
Zonder die zekerheid zou Feyenoord een groot deel van de transfersom nog moeten ontvangen terwijl Hadj Moussa al definitief speler van Al-Ittihad was. Dat risico wilde de club na de ervaring met Hancko niet nemen. Ook de financiële ontwikkeling bij Al-Ittihad maakt die keuze begrijpelijk. De club heeft nog altijd een sterke eigenaar en grote inkomstenbronnen, maar opereert niet meer in een situatie waarin voor iedere transfer onbeperkt nieuwe middelen beschikbaar komen.
Plaats reactie
Je bekijkt nu de reacties waarvoor je een notificatie hebt ontvangen, wil je alle reacties bij dit artikel zien, klik dan op onderstaande knop.
Bekijk alle reacties